Het grappige aan onze evolutie

 

Eerst was ik supersnel...straling weet je wel. Toen begon ik te vertragen...atoompjes gingen me dragen. Daarna begonnen die wat te prullen...en dra zaten we met molekullen. We hadden het kunnen weten, dat moest eindigen met planeten. Wat dan weer redelijk eenzaam was...zo ver van mekaar afstaan...maar dat deden we toch ook al als atomen...maar nu was 't gedaan...want er zaten celletjes aan te komen.

Die celletjes leerden altijd nieuwe spelletjes...ze moesten zichzelf niet meer kopiëren toen ze met sex begonnen experimenteren.

Van die celletjessex kwam het eerste orgaan en lichaam...en nog was 't niet gedaan. Tussen allerlei soorten groot en klein is ook de mens ontsproten. Wat had hij een leven misschien. Bleef hij in 't begin in de buurt van z'n bomen hangen, eten genoeg, aan werken ging hij zich niet laten vangen.

Nog bossen genoeg, jacht en pluk en op tijd nog andere leuke dingen. Van zodra 't ergens te koud werd zijn we dan van d'ene gordel naar de andere getrokken...altijd maar van 't goeie leven blijven dromen.

Toen kwamen er tussen de mensen zij die nooit kontent waren met zomaar genoeg of een beetje...ze wilden stamhoofd, koning, beursspekulant en zo heten. Alles wat voortaan werd gemaakt, eigenden ze zich toe...ze leerden ons werken voor een loon en kopen en verkopen.

Zo werd dus het geld, de duiten, geboren...en hoe meer er werd gevochten om die duiten...hoe meer we naar ons schoon leven konden fluiten.

Toen vonden de nooit-kontenten dan ook nog eens de wapens uit om anderen hun streken te veroveren. Ondertussen kwamen er velen, ze noemden Confucius, Lao-Tse, Boedha of Onze-Lieven-Heer en den Allah, ze hadden het misschien wel goed voor...maar wij hadden genoeg aan de zon en de maan, een kampvuur en eten, aan ons innerlijke bestaan...de rest was allemaal goed om weten en soms goed vertaald. Ook veel filosofen sloven zich door allerlei uitleg heen, iedere tijd volgde ze alle wel en wee op de been.

't Ergste was altijd dat een deel van die tisten alles alleen in dienst van boze machthebbers wisten. In feite kwam het samenleven beheren ons toe, en niet de nooit-kontenten; maar was het al niet te laat...ze bestonden al uit een legertje serpenten, hun pluim of hun bik of hun krijt, altijd tot kollaboratie met het kwaad bereid. We besloten ons wel ten allen tijde tegen hen te keren.

Waarom zouden we voor hun onzin blijven kreperen ? We bestudeerden hoe dat toch allemaal kwam...dat we ons steeds lieten vangen door hun telkens heraangepast gezwam. De ene keer riepen ze "'t zijn de heidenen, hak ze toch in de pan". Dan weer "pak ze"want ze lezen de Koran. Nu durven ze wel niet meer te roepen "pak de olie"...maar we zijn nog altijd de dupe verdorie.

 

De commentaren zijn gesloten.